Afgelopen weekend ben ik in Greonterp geweest, het gehuchtje waar Gerard Reve in de jaren ‘60 gewoond heeft. Greonterp is bijzonder en afgelegen. Komend vanaf de richting Heeg kom je eerst langs Oudega, een klein en gezellig dorpje aan 1 van de meren boven de fluessen. Vanaf Oudega rij je dan naar Blauwhuis, een dorpje met een kerk en een dorpssupertje en aan het eind zie je dan een aflagje naar Greonterp, borden waarwschuwen je al voor het feit dat deze weg doodloopt…
Eenmaal in Greonterp, zo’n 2 kilometer verder blijkt het dorp daadwerkelijk rond een terp gebouwd waarop een kapelletje staat dat eigenlijk niet meer is dan een torentje op een kerkhof met 1 grafsteentje, alleen een oude dorpspredikant is die eer te beurt gevallen. De meesten van de enkele tientallen woninkjews in het dorp liggen langs de hoofdweg, er is 1 zijstraatje van de hoofdweg naar het terpje en aan dit weggetje (paadje) ligt voormalig “huize het gras” een oud en klein arbeiderswoninkje met een door Reve zelf gemaakte plaquette waarop een zandloper en een inktpot met ganzeveer de naam van het huis aanvullen.
In Greonterp krijg je het gevoel dat de tijd stilstaat en er in die, voor dergelijke dorpen, korte periode van 30 jaar sinds Reve weer vertrok niets is veranderd. Het moet voor de oorspronkelijke bewoners wel een hele belevenis geweest zijn om zo’n vreemde vogel in hun midden te hebben, volgens de overlevering ging e.e.a. echter wionderlijk goed met elkaar samen.
Reve schreef zijn beste proza in de jaren dat hij in friesland verbleef, ook zijn schaarse gedichten uit die periode zijn over het algemeen erg mooi, zoals:
‘Nu weet ik, wie gij zijt,
de Jongen die ik eenzaam zag te Woudsend en daarna,
nog op dezelfde dag, in een kafee te Heeg.
Ik hoor mijn Moeders stem.
O Dood, die waarheid zijt: nader tot U.’